|
|
|
 |
165 - Interartistiek comparatisme : literatuur & beelden (HUB) [1 Q. 30 Th.] |
| |
|
| Professeur :
|
|
van den BOSSCHE Stefan
|
|
|
|
| Périodicité :
|
|
Opdracht / Stage nr. 1: Paper Startdatum: 25/09/2008 Einddatum: 30/11/2008 ´geschatte´ Studiebelasting: 1 - 5 Opdracht / Stage nr. 2: paper en presentatie. inbreng in de colleges Startdatum: 1/02/2010 Einddatum: 1/06/2010 ´geschatte´ Studiebelasting: Niet van toepassing |
|
|
|
| Objectifs :
|
|
a. Plaats van het (opleidingsonder)deel in de opleiding De studenten krijgen inzicht in de interferenties van literatuur en schilderkunst en zijn in staat de relatie tussen beide kunstvormen (analogie, woord en beeld) te omschrijven en te bestuderen. b. Competenties uit het competentieprofiel en geëvalueerde competentieniveau (Miller) 1.1.1. Wendt zijn kennis en vaardigheden aan in uiteenlopende professionele omgevingen Beheersingsniveau 1 1.1.2. Brengt theorie en praktijk met elkaar in verband Beheersingsniveau 3 1.1.3. Stelt zich op de hoogte van ontwikkelingen in het werkveld Beheersingsniveau 2 1.2.1. Is bereid om via zelfstudie de beperktheden van de eigen disciplinegebonden competenties weg te werken. Beheersingsniveau 3 1.2.2. Kan zich inwerken in nieuwe onderwerpen Beheersingsniveau 2 1.2.3. Heeft belangstelling voor nieuwe technologieën Beheersingsniveau 1 1.2.4. Kan zelfstandig werken en neemt initiatief Beheersingsniveau 3 1.2.5. Kwaliteitsbewust Beheersingsniveau 3 1.3.1. Kan functioneren in een internationale omgeving Beheersingsniveau 1 1.3.2. Kent de internationale instellingen en hun impact op het cultureel, sociaal, economisch en politiek beleid Beheersingsniveau 1 1.3.3. Is zich bewust van het eigen cultureel bepaald waardenpatroon Beheersingsniveau 1 1.4.1. Behandelt iedereen met respect, ongeacht geslacht, ras, godsdienst en overtuiging Beheersingsniveau 3 1.4.2. Brengt respect op voor de andere, voor alternatieve meningen, voor niet-Westerse of oudere denktradities Beheersingsniveau 3 1.4.3. Is bereid tot dialoog over waarden en normen Beheersingsniveau 1 1.4.4. Stelt zich empathisch op: kan zich inleven in de denkwereld van de auteur of spreker om tot de juiste interpretatie te komen Beheersingsniveau 3 1.5.1. Levert een actieve bijdrage aan groepswerk Beheersingsniveau 1 1.5.2. Kan met respect voor de inbreng van anderen tot constructieve oplossingen komen Beheersingsniveau 1 1.5.3. Zet zich samen met anderen in voor een project dat het eigen belang overstijgt Beheersingsniveau 1 1.6.1. Ontwikkelt een duurzame openheid en leergierigheid Beheersingsniveau 3 1.6.2. Probeert vanuit het eigen vakgebied een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling Beheersingsniveau 1 1.6.3. Werkt samen met andere disciplines om duurzaamheidsvraagstukken aan te pakken Beheersingsniveau 1 2.1.1. heeft een basiskennis van een aantal humane wetenschappen (filosofie, recht), ter ondersteuning van de denk- en redeneervaardigheid en de kritische reflectie Beheersingsniveau 2 2.1.2. is in staat om op een doordachte en systematische manier vakliteratuur rond een specifiek terminologisch, (ver)taal- en/of letterkundig onderwerp op te sporen en te verzamelen. Beheersingsniveau 4 2.1.3. Geeft blijk van een probleemoplossende en creatieve houding. Beheersingsniveau 2 2.2.1. kent de voornaamste woordenboeken, naslagwerken, bibliografieën, databases en elektronische hulpmiddelen, en kan ze efficiënt en adequaat gebruiken en kritisch evalueren. Beheersingsniveau 2 2.2.2. heeft inzicht in (het nut van) de voornaamste informaticatoepassingen op het gebied van taal, vertalen en literatuur, gaande van het algemene besturingssysteem tot vakspecifieke software, en kan ze adequaat inzetten. Beheersingsniveau 2 https://www.ehsal.net/hubects/ectsÞche.asp?ectsnr=9152&taal... 1 of 3 9/7/09 11:37 PM 2.3.1. is in staat om een kritische literatuurstudie uit te voeren rond een specifiek terminologisch, (ver)taal- en/of letterkundig onderwerp. Beheersingsniveau 3 2.3.2. is in staat om een onderzoeksvraag te formuleren over een terminologisch, (ver)taal- en/of letterkundig onderwerp. Beheersingsniveau 3 2.3.3. kent en begrijpt de wetenschappelijke methode en kan ze toepassen in een kleinschalig, maar creatief en innovatief onderzoek naar een (ver)taal- en/of letterkundig onderwerp Beheersingsniveau 2 2.4.1. is in staat om op een heldere, vlotte, gestructureerde en aan de vereisten van het gekozen medium aangepaste manier te rapporteren over wetenschappelijke onderzoeksresultaten door middel van een geschreven tekst Beheersingsniveau 3 2.4.2. is in staat om op een heldere, vlotte, gestructureerde en aan de vereisten van het gekozen medium aangepaste manier te rapporteren over wetenschappelijke onderzoeksresultaten door middel van een mondelinge presentatie. Beheersingsniveau 3 2.5.1. is in staat tot metareflectie over de door hem/haar gekozen aanpak en gehanteerde methodologie. Beheersingsniveau 4 3.1.1. De studenten kennen het begrippenapparaat en de normatieve voorschriften van de grammatica van de door hen bestudeerde talen, en kunnen die voorschriften ook toepassen. Beheersingsniveau 1 3.1.2. De studenten kunnen taaluitingen ontleden (taalkundig en redekundig), beschrijven en situeren ten opzichte van de normatieve voorschriften Beheersingsniveau 1 3.1.3. De studenten kunnen kritisch reflecteren over taal en grammatica. Beheersingsniveau 1 3.1.4. De studenten hebben kennis van en inzicht in diverse vormen van taalvariatie (historisch, geografisch, sociaal). Beheersingsniveau 1 3.1.5. De studenten kennen de belangrijkste hedendaagse normatieve en descriptieve referentiewerken en kunnen ze efficiënt hanteren. Beheersingsniveau 1 3.1.6. De studenten hebben kennis van en inzicht in hedendaagse wetenschappelijke theorieën op het gebied van syntaxis, semantiek, fonologie, morfologie en pragmatiek en kunnen die ook toepassen Beheersingsniveau 1 3.2.1. Beheerst het Standaardnederlands Beheersingsniveau 4 3.2.2. kan opbouw, stijl, taalgebruik en inhoud in geschreven teksten analyseren, beoordelen en verbeteren Beheersingsniveau 4 3.2.3. kan teksten schrijven, aangepast aan doel, publiek en medium Beheersingsniveau 4 3.2.4. kan opbouw, stijl, taalgebruik en inhoud van mondelinge communicatie analyseren, beoordelen en verbeteren Beheersingsniveau 3 3.2.5. kan zich mondeling uiten, aangepast aan doel, publiek en situatie Beheersingsniveau 4 3.2.6. is vertrouwd met het wetenschappelijk onderzoek naar taalbeheersing Beheersingsniveau 1 3.2.7. kan doeltreffend en kritisch gebruikmaken van naslagwerken voor het Nederlands. Beheersingsniveau 4 3.3.1. begrijpt elke geschreven en gesproken bron en kan een onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken; Beheersingsniveau 1 3.3.2. kan zich vlot en accuraat op mondelinge en schriftelijke wijze uitdrukken en haalt het niveau van een near native speaker; Beheersingsniveau 1 3.3.3. bedient zich hierbij van het juiste register; kan zijn talenkennis functioneel en creatief inzetten. Beheersingsniveau 1 3.4.1. heeft kennis van de voornaamste literaire stromingen van de vroege middeleeuwen tot heden Beheersingsniveau 3 3.4.2. heeft kennis van de voornaamste literatuurbenaderingen en literatuurwetenschappelijke paradigma's van de Oudheid tot heden, alsook van het bredere cultuurhistorische, sociale en politieke kader waarbinnen de literatuur(wetenschap) zich ontwikkeld heeft Beheersingsniveau 3 3.4.3. kan literaire teksten (proza, poëzie en drama) analyseren aan de hand van een uitgebreid literatuurhistorisch en kritisch begrippenapparaat Beheersingsniveau 3 3.4.4. kan een kritische visie t.o.v. de stilistische, thematische en ideologische aspecten van de literaire tekst helder en coherent formuleren (zowel schriftelijk als mondeling) Beheersingsniveau 3 3.4.5. heeft kennis van de geschiedenis, de geografie, de politiek, de economie, de cultuur en het maatschappelijk bestel van de taalgebieden Beheersingsniveau 1 3.4.6. kan culturele en historische kennis en vaardigheden aanwenden in uiteenlopende contexten (verdere opleiding, beroepsactiviteiten, persoonlijke ontplooiing) Beheersingsniveau 1 c. Kerndoelen van het (opleidingsonder)deel 1. De student is in staat literatuur en beeldende kunst uit eenzelfde periode te vergelijken. Beheersingsniveau 4 2. De student is in staat een beschrijvende analyse te maken van aspecten van een literaire teksten en vergelijkbare artistieke objecten of oeuvres. Beheersingsniveau 4 |
|
|
|
| Prérequis :
|
|
a. De algemene toelatingsvoorwaarden zijn beschreven in de onderwijs- en examenregeling. Om dit (opleidingsonder)deel in optimale omstandigheden aan te vatten, is het aangewezen dat de student de kennis, vaardigheden en attitudes, aangeleerd in de volgende (delen van) opleidingsonderdelen van de opleiding, actief kan inzetten. Nederlandse letterkunde b. De docent(en) wens(t)(en) ook de aandacht te vestigen op het belang van de volgende aanvangscompetenties: Interesse voor schilderkunst; interesse voor en kennis van de literatuur van de 20 ste eeuw |
|
|
|
| Contenu :
|
|
Eerst en vooral worden (inleidend) een aantal theoretische basisconcepten aangereikt - in casu met betrekking tot de eigenheid en de analogie van woord en beeld. Er wordt aandacht besteed aan het bepaalde strimingen in schilderkunst en in literatuur. Nadien worden een aantal concrete voorbeelden besproken en uitgewerkt, te weten: de roman L'oeuvre van Emile Zola en het onstaan van het Franse impressionisme; de prozabundel Zon van Herman Teirlinck en het Brusselse impressionisme. Er wordt samen gewerkt aan een specifieke case waarvan de studenten deelaspecten voor hun rekening nemen en in papervorm presenteren. Deze case is geconcentreerd rond wat A. Roland Holst 'bezielde dorpen' heeft genoemd: dorpen waar schilders en dichters voor een artistieke ziel hebben gezorgd en aanknopingspunten tussen hun vaak uiteenlopende kunstdisciplines exploreerden. |
|
|
|
| Dispositif :
|
|
Hoor- en werkcolleges. Papers en referaten. Zefstudie. |
|
|
|
| Evaluation :
|
|
Eerste zittijd Er wordt een mondeling examen voorzien waarop de papers besproken worden. De student maakt een paper over een kunstenaar wiens werk wordt vergeleken met een literair werk. De in de cursus besproken theoretische principes worden in deze papers toegepast. Mondelinge toelichting tijdens examen. Tweede zittijd Er wordt een mondeling examen voorzien waarop de papers besproken worden. De student maakt een paper over een kunstenaar wiens werk wordt vergeleken met een literair werk. De in de cursus besproken theoretische principes worden in deze papers toegepast. Mondelinge toelichting tijdens examen. |
|
|
|
| Supports :
|
|
Aanbevolen literatuur Er werd geen studiemateriaal doorgegeven door de docent Verplicht studiemateriaal Cursus Interartistiek comparatisme reader, van den Bossche, S., HUB, 2009 Er wordt ook digitaal studiemateriaal gepubliceerd op HUBWISE |
|
|
|
| ECTS :
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
 |
|